De DRM bereikte in de jaren zeventig in Duitsland een ongekende populariteit.
Van Groep 5 tot Groep C, en met volop Porsche: Nieuw boek over de Deutsche Rennsport-Meisterschaft

Bij gebrek aan races, toerritten, clubmeetings, beurzen en andere evenementen is er nu volop tijd voor goede boeken, al dan niet met een vloeibare verfrissing in de tuin of op het balkon. Uit die categorie belandde deze week een nieuwe uitgave op het bureau, gewijd aan de Deutsche Rennsport-Meisterschaft, die in de jaren zeventig hoogtij vierde. Omdat ook Porsche in die spectaculaire serie een prominente rol speelde, stellen we dit boek graag voor.
De DTM is natuurlijk wereldwijd bekend en geniet bijvoorbeeld ook in Japan grote faam, maar ook in de jaren zeventig was er in Duitsland al een prominent kampioenschap met dikke auto’s, flinke inbreng van fabrikanten en een grote uitstraling die ook buiten de grenzen van de Bondsrepubliek reikte. Alleen het horen van de naam ‘Deutsche Rennsport-Meisterschaft’, afgekort DRM, is vaak al voldoende om bij liefhebbers een grote glimlach op het gezicht te toveren. Vooral de herinnering aan de spectaculaire auto’s volgens het Groep 5-reglement is bij velen nog springlevend.
Klantenteams als Max Moritz, Kremer en Gelo brachten de Porsches aan de start, vaak in bekende sponsorkleuren als het oranje van Jägermeister of het groen van Vailant.Porsche voornamelijk met privéteams

In tegenstelling tot Ford en BMW, en later ook, zij het kortstondig, Toyota en Lancia, die allemaal met goed gefinancierde fabrieksteams van de partij waren, of in ieder geval voor flinke financiële ondersteuning van klantenteams zorgden, liet Porsche de deelname aan de Deutsche Rennsport-Meisterschaft grotendeels aan privéteams over. Renstallen als Max Moritz, Kannacher, Tebernum, Kremer Racing en het Gelo-team van de wat excentrieke Keulse vastgoedinvesteerder Georg Loos, in 1976 ondermeer ook met Toine Hezemans als rijder, brachten de 911’s, 934’s, Carrera RSR’s en vanaf 1977 ook de 935’s in de DRM aan de start. Het Porsche-fabrieksteam was er slechts twee keer bij in de vorm van gastoptredens op de Norisring en op Hockenheim in 1977. Vanuit de teams in de kleinere tweeliterklasse was er nogal wat kritiek dat de diverse 935’s in de hoogste klasse altijd met de prijzen en de punten aan de haal gingen. Dat inspireerde Porsche onder leiding van Norbert Singer om een tweeliterversie van de 935 te bouwen, die als ‘Baby’ bekendheid verwierf. Uitgevoerd in de fabrieks-Martini-kleuren en met Jacky Ickx als coureur verscheen de kleinere en lichtere 935 (1,4-litermotor met turbofactor, 380 pk) eerst op de Norisring aan de start. Het was, zoals zovaak in Neurenberg, bloedheet, maar om gewicht te sparen had Porsche van alles en nog wat uit de auto gehaald, ondermeer ook de geleiders van de hete lucht die uit de oliekoeers kwam. Die kwam dus rechtstreeks in het interieur, waar de arme Ickx het haast aflegde. In de race was hij kansloos, hij moest na afloop naar het ziekenhuis met verschijnselen van oververhitting.
In 1977 trad het Porsche-fabrieksteam twee keer met de 935 ‘Baby’ aan in de tweeliterklasse, op de Norisring en op Hockenheim.Porsche wilde revanche en kreeg die vier weken later op Hockenheim, waar Jacky Ickx met de 935/77 2.0, zoals de officiële aanduiding luidde, afgetekend de tweeliterklasse won. Daarna verdween de ‘Baby-Porsche’ rechtstreeks naar het museum, races werden er niet meer mee gereden. Porsche had alleen willen aantonen dat het ook in de kleinere klasse succesvol kon zijn, maar voor de internationale zes-uursraces was de auto volstrekt ongeschikt. Latere successen voor Porsche in de Deutsche Rennsport-Meisterschaft waren de kampioenstitel voor Rolf Stommelen in de Gelo-935 in 1977, Klaus Ludwig met de Kremer-935 in 1979, de beide kampioenschappen voor Bob Wollek met de 936 in 1982 en de 956 in 1983 plus de titels voor Stefan Bellof en Jochen Mass, beide met de 956 B, respectievelijk in 1984 en 1985.
DRM Cover 2Het idee voor een boek

Gustav Büsing en Uwe Mahla volgden in de jaren zeventig en tachtig de activiteiten in de Deutsche Rennsport-Meisterschaft op de voet in hun functie als verslaggevers van respectievelijk de Duitse tijdschriften Auto-Zeitung en Rallye-Racing. Ze kenden de rijders en teambazen persoonlijk, evenals veel van de monteurs en mensen op de achtergrond. Dat was destijds ook nog gemakkelijker dan nu, want als journalist had je veel meer direct contact met de rijders, zonder tussenkomst van PR-functionarissen of managers. Dat resulteerde bij beide in een enorme kennis over de serie en de achtergronden, wat Büsing en Mahla rond de eeuwwisseling deed besluiten om al die verhalen op te tekenen voor een boek. In 2011 verscheen de eerste druk van ‘Einfach eine geile Zeit’. De titel was rechtstreeks afkomstig uit de mond van Hans-Joachim Stuck, in 1972 de eerste DRM-kampioen, die zijn fascinatie voor die periode niet onder stoelen of banken stak.
De eerste druk van het boek, in het verschijningsjaar op de prestigieuze Frankfurter Buchmesse bekroond met de ‘ADAC Motorbuch-Preis’ voor het beste autosportboek, was binnen korte tijd uitverkocht. Datzelfde gold voor de identieke tweede oplage, die in 2014 verscheen. Een jaar later overleed Gustav Büsing aan de gevolgen van een hartinfarct tijdens het weekeinde van de 24 Uur van Le Mans, waar hij zoals altijd als commentator verslag deed voor de Duitse Eurosport. Eigenlijk had hij samen met co-auteur Uwe Mahla al ideeën voor een aanvulling op het bestaande boek met nog meer anekdotes, achtergrondverhalen en portretten van iets minder prominente, maar daarom niet minder interessante coureurs, die in de eerste editie niet zo ruim aan bod gekomen waren. Door Büsings overlijden kwamen de plannen tijdelijk op een wat lager pitje te staan.
Sticker op het cellofaan duidt op de derde editie.Derde druk met meer pagina’s en nieuwe verhalen

Nu echter is de derde druk dan toch een feit, met 50 pagina’s meer dan de vorige, wat het totaal op een omvang van 304 brengt. Dat we hier met de derde editie van doen hebben, blijkt uiterlijk alleen door een oranje sticker op het plastic dat het boek omhult, voorzien van de tekst ‘3. Auflage – Neue Stories – Mehr Seiten’, en door de drie oranje sterren aan de onderkant van de boekrug. Iets voor de specialisten en kenners, ook om in de gaten te houden wanneer u eventueel het boek tweedehands zou willen aanschaffen.
Is het plastic er eenmaal af, dan voelt de onderste helft van de cover aan als een soort asfalt, terwijl de afbeeldingen van de auto’s erboven glanzend met spotvernis, een speciaal effect dat bij liefhebbers zeker in de smaak valt. Met de BMW 320i, de Porsche 935 en de Ford Capri RS zijn drie auto’s afgebeeld die in de historie van der DRM een belangrijke rol spelen. Daarboven, met lichte oranjetint, vinden we portretten van diverse coureurs, waarbij prominente namen als Mass, Ludwig, Wollek, Stuck, Danner en Heyer opvallen. Ook de woorden ‘Geile Zeit’ zijn voorzien van spotvernis. De bovenste helft van de cover voelt wel heel prettig aan, maar helaas blijven hierop wel snel vingerafdrukken achter.
Prachtige cover waarvan de onderste helft aanvoelt als asfalt en waarbij spotvernis het geheel extra glans geeft.Inhoudelijk wordt na het voorwoord van Hans-Joachim Stuck als eerste kampioen en een van de bekendste Duitse coureurs, ingegaan op het ontstaan van de serie. Dat was vooral gebaseerd op wensen van tuners, teams en fabrikanten, maar ook rijders en sponsors, die de wirwar van Duitse titels in allerlei verschillende toerwagenklassen, ingedeeld naar cilinderinhoud en soms met minimale verschillen van 100 of 150cc, zat waren. Net als in het voetbal moest er gewoon één Duitse kampioenstitel komen, zo luidde de redenering die uiteindelijk ook gehoor vond bij de bevoegde instanties. Vervolgens is er aandacht voor de techniek en de ontwikkeling daarvan in het kampioenschap, van de relatief eenvoudige, op productiewagens gebaseerde filosofie in de beginjaren via de Groep 5-spaceframes, meestal met turbomotoren, die voor de spectaculairste periode in de serie zorgden, tot aan de kostbare Groep C in de jaren tachtig, die het einde van de DRM betekende.
De kampioenschapsjaren 1972 tot en met 1985 komen chronologisch aan bod.Chronologisch overzicht

De volgende 140 pagina’s van het boek zijn gevuld met een chronologisch overzicht van de kampioenschapsjaren 1972 tot en met 1985, geregeld afgewisseld door aparte pagina’s met portretten in tekst en beeld van de 30 prominentste rijders die in de DRM een hoofdrol vervulden. Met name Duitsers, uiteraard, maar ook rijders als Surer, Höttinger, Hezemans, Fitzpatrick en Wollek. Grote foto’s, deels in zwart-wit maar toch met een meerderheid van kleur, zijn niet alleen prachtig als illustratie, maar geven ook een perfect tijdsbeeld, niet alleen van de actie op en rond de baan, maar ook van de sfeer in de paddock. Diverse kaders met persoonlijke herinneringen van rijders en andere betrokkenen ontbreken ook niet, van Waltraud Odenthal als een van de dames in de serie via Tim Schenken, die beschrijft hoe hij zijn kopman Hezemans moest voorlaten, tot aan de roemruchte wedstrijdleider Ali Schatz, die zijn commandotoon uit het dagelijks leven (hij was Oberfeldwebel bij de Duitse landmacht) ook bij rijdersbesprekingen op het circuit aansloeg. Een apart intermezzo is gewijd aan de Deutsche Rennsport-Trophäe, een aparte competitie binnen het kampioenschap voor kleinere auto’s dan de kostbare Groep 5-machinerie. Geweldig is ook een fotoserie op twee pagina’s van Hans Heyers zware crash met de Lancia Beta Montecarlo op de Norisring in 1980 als gevolg van een geëxplodeerde remschijf. Hilarisch is het om te zien hoe Heyer ongedeerd uit de ondersteboven liggende en zwaar beschadigde auto kruipt en vervolgens nog een keer terugloopt om zijn handelsmerk, zijn eeuwige Tiroler hoedje, uit het wrak te vissen.
De Deutsche Rennsport-Meisterschaft was zeker met de Groep 5-bolides goed voor heel veel spektakel, zoals hier op de Norisring in 1977. Volgens velen de beste DRM-race ooit.Er is aandacht voor het vermaarde BMW-Juniorteam op initiatief van Jochen Neerpasch, de soms weinig verheffende strijd tussen de beide Keulse Porsche-teams Gelo en Kremer, de successen van meervoudig kampioenen als Klaus Ludwig en Hans Heyer en nog veel meer aspecten, die op uitermate lezenswaardige en onderhoudende wijze zijn beschreven. De seizoenen 1982 tot en met 1985 met de peperdure Groep C-auto’s zijn in één hoofdstuk samengevat. Het einde van de DRM tekende zich toen al steeds duidelijker af, temeer omdat er in de vorm van de in 1984 gestarte Deutsche Produktionswagen-Meisterschaft, waaruit later de DTM ontstond, een betaalbaarder en daarmee aantrekkelijker alternatief gecreëerd was.
Het Kremer-team uit Keulen bracht heel wat auto’s in de DRM aan de start, zoals deze 911 voor Clemens SchickentanzSponsoring en teamstructuur

Het volgende hoofdstuk, van de hand van Eckhard Schimpf, handelt over de financiering van de raceactiviteiten. Schimpf, naast zeer verdienstelijk hobbycoureur ook journalist, weet waarover hij schrijft, want hij had decennialang ook de taak om het riante sponsorbudget van Jägermeister te verdelen in opdracht van de familie aan wie de stokerij toebehoort. Het hoofdstuk ‘Die Meistermacher’ handelt over de diverse teambazen. Daarna volgt een deel dat in de derde uitgave nieuw is en voor de uitbreiding met zo’n 50 pagina’s zorgt. Allereerst zijn er portretten in woord en beeld van 30 coureurs die niet de meest prominente plekken in de serie innamen, maar over wie toch interessante informatie is opgenomen. En niet eens de minsten, want namen als Hans-Peter Joisten, Eddie Cheever, Jürgen Neuhaus, Manfred Trint, Armin Hahne, Walter Brun en Christian Danner roepen toch zeker bij velen herkenning op.
Het laatste tekstuele deel van het boek is gevuld met verhalen en anekdotes van direct betrokkenen over uiteenlopende onderwerpen. Zo beschrijft journalist Rainer Braun een weddenschap om 100 Euro met Ford-sportdirecteur Mike Kranefuss in Hockenheim, doet de betreurde Schnitzer-teammanager Charly Lamm verslag van zijn ervaringen als teenager in de DRM, schrijft Toine Hezemans over zijn bij hem thuis aan de Eindhovense Parklaan zelf gebouwde Ford Escort (“De lichtste Escort aller tijden”), gaat technicus Thomas Ammerschläger in op het ‘ground effect’, dat ook in de DRM zijn intrede deed, en zijn er nog meer leuke en interessante anekdotes.
Het auteursduo Uwe Mahla (l.) en Gustav Büsing (midden), hier met collega-journalist Rainer Braun.Het boek sluit af met een omvangrijk deel van zo’n 40 pagina’s met uitslagen, een personenregister en enkele pagina’s over het ontstaan van het boek, inclusief een indrukwekkend ‘in memoriam’ voor Gustav Büsing met bijdragen van diverse mensen uit de meest uiteenlopende geledingen in de autosport. Zo is de derde editie van het boek ook voor Büsing een waardig eerbetoon geworden. Zelf had hij ongetwijfeld nog de nodige anekdotes kunnen bijdragen, maar ook zo is het geheel uiterst lezenswaardig, een prachtig document over een zeer fascinerende periode in de autosport.
Gustav Büsing † en Uwe Mahla: Einfach eine geile Zeit – Deutsche Rennsport-Meisterschaft 1972-1985. Uitgave: Gruppe C Motorsport Verlag. Duitstalig. 306 pagina’s, hardcover, ISBN 978-3-948501-03-7.

Speciale aanbieding: drie boeken in cassette

Uitgever Gruppe CMotorsport Verlag komt bij het verschijnen van de derde editie van ‘Einfacheine Geile Zeit’ met een speciale aanbieding in de vorm van een pakket met hetnieuwe DRM-boek, het eveneens Duitstalige boek ‘Die Meistermacher’ over hetBMW-Team-Schnitzer (eveneens van Uwe Mahla en Gustav Büsing) en het boek ‘TimoBernhard – The history of a champion’ in het Duits en Engels van PeterSchäffner, samen in een fraaie cassette voor de prijs van 100 Euro, eenbesparing van 50 Euro ten opzichte van de drie boeken los en dan nog decassette erbij. Voor liefhebbers zeker een aanrader en met name het boek overTimo Bernhard is een must voor wie interesse heeft in de Porsche-sporthistorie.Voor de cassette met de drie boeken is er een apart ISBN: 978-3-948501-04-4. Voor meer informatie en bestellingen: www.gruppec.de
Het bericht “Einfach eine geile Zeit” DRM-historie 1972 – 1985 verscheen eerst op Vierenzestig.


Bron: vierenzestig.nl